Eigen schuld, dikke bult

  • Verzwikte linkerenkel met bijhorende blauwe plek.
  • Pijnlijke linkerpols met bijhorende blauwe plek.
  • Geschaafde rechterelleboog.
  • Afdruk (allemaal kleine wondjes dus) van het tandwiel op/in mijn rechterkuit.
  • Blauwe plek op mijn rechterenkel.
  • Blauwe plekken op beide binnenkanten van mijn knieën.
  • Wat schrammen links en rechts.
  • Een deuk in mijn ego.
  • Een afgebroken remgreep.
  • Een loszittend spatbord.

Bovenstaand lijstje is het resultaat van “Eigenlijk is het maar 25km, ik ga met de fiets komen.”

Oké, vooral het resultaat van de weg kwijt zijn, kijken op mijn gsm naar waar ik moet en dan tegen een schuin borduurtje rijden. Eigen schuld, dikke bult. En het ergste van al was toen bleek dat ik niet verkeerd was en slechts 100m van mijn bestemming zat/lag …

Een mooie middag die ik in mijn hoofd al verpest had nog voor ze goed en wel was begonnen. De pijnlijke plekken waren bovendien het minste van mijn zorgen. Op dat vlak ben ik absoluut geen bleiter (op andere vlakken daarentegen, haha). Het was mijn fiets waar ik het meeste mee inzat. Want mijn fiets is mijn vrijheid. Mijn manier om tot rust te komen. Mijn manier om alles op een rijtje te zetten. Mijn beste vriend eigenlijk. Het is een lelijk ding, rammelt langs alle kanten en mist hier en daar wat verf, maar hij brengt me waar ik wil. Nu ja, niet overal waar ik wil. Naar Australië of IJsland heeft ie me bijvoorbeeld nog altijd niet gebracht, maar je begrijpt wel wat ik wil zeggen.

Mijn kilometertellertje zegt het me trouwens ook dat ik weer ‘veel’ fiets. Voor de eerste 1250km (sinds de aankoop van het tellertje) had ik nog 10 maanden nodig, terwijl ik nu al aan 600km zit op drie en een halve maand tijd. Wat eigenlijk niet veel is, want dat komt neer op net geen 6km per dag. Ongeveer iedereen doet die afstanden. Met dat verschil dat zij wél ergens naartoe gaan …

Uiteindelijk was het wel nog een fijne middag. Eerst picknicken in een park met K. en daarna nog even binnengesprongen bij S. die daar (we spreken dan over de wereldstad Eeklo) woont. Het was al geleden van oudejaarsnacht dat ik nog iemand zag (dat was toen ook S.) die geen familie of een wildvreemde was. Ja, dat is belachelijk en schandalig, je hoeft het mij niet te vertellen. Ik ga daar stilletjes aan kapot. Maar dat valt eigenlijk ook weer allemaal terug te brengen tot eigen schuld, dikke bult.

Je zou dan denken dat ik vrolijk en vol energie thuis ben gekomen, want niet één maar twee vriendinnen gezien. En daarenboven een hele dag mooi weer gehad, een leuke fietsroute gereden én mijn fiets ter plekke MacGyverstyle met spanbandjes weten te fiksen. Maar niets was minder waar. Ik ben thuis gekomen, heb anderhalf uur in bad gelegen en me daarna opgesloten op m’n slaapkamer.  En ik vind dat zo erg van mezelf. Erg dat ik mezelf niet toesta om (na) te genieten van iets fijn. Erg dat dat mijn eerste reflex geworden is. Ik ben zo niet. Ik wil zo niet zijn.

En ja, ik werk eraan, maar het gaat mij allemaal veel te traag. Ik wil het nu verdorie! Alles! Ik verdien dat ZÓ FUCKING HARD!

Lapmiddel

Tot een paar maanden geleden was het eigenlijk jaren geleden dat ik nog eens in een badkuip had gelegen, ik had namelijk genoeg aan een douche (dat was/is ecologischer weet je wel). Maar tegenwoordig kan je me veel frequenter terugvinden in een badkuip. Vooral op dagen waarop het niet zo goed gaat. Dagen waarop ik me (erg) alleen voel. Dagen waarop ik koud heb terwijl het helemaal niet koud is. Dagen waarop ik met mezelf geen blijf weet. En toen las ik een dag of tien geleden dit artikel over in bad gaan. En één stuk sprong er voor mij uit:

Onbewust, hahaha!

Als je nood hebt aan warmte en er is niemand die je die warmte fysiek kan helpen voorzien, dan zijn er volgens mij weinig andere mogelijkheden dan een bad. Oké, ik zou me in mijn donsdeken kunnen rollen, maar ik mag van mezelf overdag niet meer (of toch heel weinig) in mijn bed liggen. Op de kachel of in de oven gaan liggen was ook niet echt een strak plan, dus een bad was/is de enige oplossing. Of tegenwoordig in de zon nu het elke dag honderd miljoen graden is, maar dat is dan weer niet zo goed voor mijn vel.

Vooral op mijn (boven)rug mis ik het gevoel van warmte erg vaak. Niet toevallig de plek waar tijdens een knuffel de handen van de tegenpartij zich meestal bevinden. En inderdaad, een warm bad zorgt (even) voor een warme omhelzing. Of toch de illusie ervan. Want dat warme water komt nooit echt in de buurt van de warmte waar ik nood aan heb. Maar bij gebrek aan beter …

Ik zeg vaak al grappend dat wanneer iemand me nog eens zou knuffelen dat ik wellicht de eerste twee uur niet zou loslaten, maar stiekem ben ik dan eigenlijk bloedserieus. Mijn lijf snakt zo hard naar een ander lijf, je kan het je niet inbeelden hoe hard. Ik kijk enorm uit naar het moment dat ik nog eens zo’n warme knuffel mag ervaren.

En tot die tijd zal ik me maar tevreden stellen met het lapmiddel dat een bad is zeker?

Uiteindelijk

Uiteindelijk zijn we toch allemaal op zoek naar die ene persoon die zonder een fuck te geven om het nat worden, de douchekraan dicht komt draaien en je zachtjes vastpakt wanneer je weer maar eens stilletjes zit te huilen op de bodem van de douche. Die ene persoon die, wanneer niemand weet waar je bent, meteen naar het plekje gaat waarvan je ooit eens langs je neus weg zei dat dat je lievelingsplekje was. Die ene persoon die niet raar kijkt maar meteen vol enthousiasme begint mee te bouwen als je zegt dat je zin hebt in een kussen/dekenfort. Die ene persoon die je thuis opwacht aan de hand van een emmer waterballonnen in de gang en de boodschap “Ik zit verstopt in de tuin met de andere helft. Kom me maar zoeken als je durft!” Die ene persoon die je met een knipoog of ander klein gebaar op je gemak stelt wanneer het overduidelijk is dat je je niet op je gemak voelt in een grote groep, maar niemand het lijkt te merken. Die ene persoon die je begrijpt, zelfs wanneer je jezelf weer eens niet begrijpt. Die ene persoon die elke plek als ‘thuis’ doet aanvoelen wanneer je er samen bent.

Uiteindelijk zijn we allemaal op zoek. En willen we gewoon gevonden worden.

Droomlief

En opeens is het weer twee uur ’s nachts en lig je nog zo wakker als maar kan in je bed je af te vragen of je misschien per ongeluk op een ander continent bent terecht gekomen en het misschien toch nog lang geen tijd was om te gaan slapen?

Maar dan hoor je de Nederlandse radiopresentator zijn ding doen op de radio (ja, ik luister ’s nachts naar NPO Radio 1 om in slaap te vallen) en door het open raam de uil in de verte zijn dagelijkse uilenkreetjes ten berde brengen. Je bent op zoek naar de ideale ligpositie, maar kan ze niet vinden want je hebt spierpijn in de nek. En dat stomme donsdeken lijkt ook weer gekrompen, waardoor je koude voeten krijgt. En dan besef je “ik lig gewoon thuis in m’n eigen bed” en je hapt wat naar adem. Niet alleen uit teleurstelling van het niet op een ander continent zijn, maar ook gewoon omdat je moeilijk kan ademen de laatste tijd.

En dan begin je te tobben. Wat zelden de weg naar snel en rustig in slaap vallen is. Je begrijpt het leven niet zo goed en je begrijpt niet waarom je het niet goed begrijpt. En ge vraagt u af wanneer je nog eens gaat kussen, want dat is al zó lang geleden dat ge u daar zelfs voor schaamt. Of wanneer je nog eens iemand gaat zien die geen familie of een wildvreemde is, want dat was nog niet het geval dit jaar. Of je overloopt alle meisjes/vrouwen waar je ooit verliefd op was, maar het nooit durfde zeggen en echt blij maakt je dat ook niet.

En dan doe je toch nog een poging om de slaap bij de lurven te vatten en hoopt ge mooie dromen te vangen.

En misschien een droomlief.